TURKIJETIPS
www.turkijetips.nl

Seldjoeken

Seldjoeken, Turks geslacht dat in het begin van de 11de eeuw de leiding kreeg over de in West-Toerkestan nomadiserende Ghoezen. De stamvader was Seldjoek (midden 10e eeuw), maar als de eigenlijke grondlegger van hun macht geldt Tughrul Bey, kleinzoon van Seldjoek, die in de eerste helft van de 11de eeuw Perzië met de aangrenzende gebieden onderwierp en Bagdad van hem afhankelijk maakte. In 1058 werd Tughrul kalief van Bagdad. Met deze Seldjoekenverovering van Perzië begon de overheersing van het Turkse element in het oosten van de islamitische wereld. Na het bewind van de sultans Alp Arslan (1063–1072) en Malik Sjah (1072–1092) kwam er een einde aan de eenheid van het Seldjoekenrijk. In de 12de eeuw viel het uiteen onder verschillende nevenlinies van het geslacht, zoals de Seldjoeken van Kirman (1041–1186), van Irak (1118–1194) en van Syrië (1078–1117). Een zeer belangrijke neventak was die van de zgn. Roem-Seldjoeken, die in de loop van de 12de eeuw bijna geheel Klein-Azië veroverden en tot ca. 1302 vanuit de hoofdstad Konya over dit gebied heersten. Zij waren de voorlopers van de Osmaanse Turken.

 

Beeldende kunst

De belangrijkste vernieuwingen en tevens de belangrijkste bewaard gebleven kunstwerken zijn te vinden in de – sacrale – architectuur, waarbij de Seldjoeken een geheel nieuw element invoerden: de decoratie van zowel in- als exterieur met baksteenpatronen en geglazuurde tegels.

 

Perzië

In Perzië ontwikkelden de Seldjoeken een nieuw type moskee, teruggaande op paleizen der Sassaniden, met een centrale open binnenplaats waarop vier grote liwans uitkomen; de liwans, aanvankelijk vrij strak, werden in de loop van de ontwikkeling steeds rijker versierd (stalactietgewelf). Belangrijkste voorbeeld van een zgn. liwanmoskee is de Vrijdagmoskee of Masdjid-Djoem’a te Isfahan (1088). Ook naar de koepelbouw ging hun hernieuwde belangstelling uit (Masdjid-i-Djoem’a te Qazvin, 1113). De Seldjoeken creëerden de madrasa als nieuw type gebouw, waarbij vrijwel dezelfde architectonische principes werden gebruikt als bij de moskee (voorbeelden te Nisjapoer, Toes en Bagdad). Ook ontwikkelden zij een nieuw islamitisch grafmonument: de goembat of türbe, een meestal ronde, soms stervormige of meerhoekige (graf)toren, vaak twee verdiepingen hoog, voorzien van een kegelvormig dak. De enkele toegangsdeur leidt naar de (op de bovenste verdieping gelegen) grafkamer. In tegenstelling tot de graftorens uit Anatolië waren ze in Perzië meestal weinig versierd, soms alleen maar met een inscriptieband. De Goembat-i-Qaboes (1006) en de toren bij Radkan (1281) in Oost-Perzië behoren tot de fraaiste voorbeelden. De laatste toont vrij duidelijk de vermoedelijke herkomst van dit vreemde gebouw: de oude Mongoolse nomadentent. De belangstelling voor de koepel deed hen ook koepelgraven bouwen, uiterlijk bijna niet te onderscheiden van de graftorens.

 

Van de toegepaste kunsten dienen vooral aardewerk en metaalwerk vermeld te worden. Van de aardewerkproductie waren de centra Rajj en Kashan. Het aardewerk werd vervaardigd op verschillende wijzen, waarvan de ‘lakabi-waar’ (= beschilderd), de China-imitaties en de minai-waar (geëmailleerd), de voornaamste zijn. Hun metaalwerk, vnl. tafelgerei, is in brons, goud of zilver, met gegraveerde decoratie of met zilver of goud ingelegd.

 

Anatolië

In Anatolië waren de Roem-Seldjoeken, vooral wat betreft de structuur van moskeeën en madrasa's en de motieven van beeldhouwwerk en mozaïek, erg afhankelijk van het Oosten, m.n. van Perzië. De architectuur, ook hier de belangrijkste kunstvorm, is nochtans duidelijk te onderscheiden van de Perzische, o.m. in de Byzantijnse invloed, herkenbaar in het gebruik van natuursteen in plaats van baksteen, en tevens in bepaalde technieken en stijlen. Wat de sacrale architectuur betreft, hielden de Roem-Seldjoeken vast aan de schema's van de koefa- en de transeptmoskee, zonder de liwans over te nemen. Kenmerkend voor het eerste type zijn de Grote Moskee te Sivas en de Ala’eddin-moskee te Konya; voor het tweede type is de moskee te Diyarbakir karakteristiek. Ook bij de madrasa's kunnen we twee types onderscheiden: één met open voorhof (= Perzisch type), zoals de Tshift Minare te Erzurum, en een tweede met een gesloten koepelruimte (Turks type), zoals de Büyuk Karatay te Konya. Het meest kenmerkende gebouwentype van de Roem-Seldjoeken is echter de karavanserai of chan. Deze meestal vestingachtige gebouwen, opgericht langs de belangrijkste karavaanwegen, op ongeveer 30 km van elkaar, hebben alle ongeveer hetzelfde bouwschema: rechthoekig, slechts één ingang aan de smalle zijde, waarlangs men een open hof bereikt waarop de vertrekken uitkomen, en achteraan, aan de andere smalle zijde, een grote overkoepelde centrale hal. Er was ook steeds een kleine moskee bij het gebouw. Langs de weg van Konya tot Kayseri staan de fraaiste, waarvan de Sultan Han uit 1229 de meest bekende is.

Deze drie gebouwentypes, moskeeën, madrasa's en chans, hebben als gemeenschappelijk kenmerk de rijkelijk uitgewerkte toegangspoorten volgens een geheel nieuwe stijl: rechthoekig grondplan, stalactietnis aan de bovenzijde en omlijsting van kleine zuilen. Omdat de Roem-Seldjoeken gewoonlijk de stichter van een madrasa begroeven in de buurt van zijn school, komen ook talrijke goembats of graftorens voor.

Van hun paleizen en militaire bouwwerken geven nog slechts vnl. ruïnes een indruk, te Konya, Kayseri, Diyarbakir en Koebadabad; alleen in de havenstad Alanya bleef een Roem-Seldjoekse vesting intact (citadel, toren, scheepswerf). Aan toegepaste kunstvoorwerpen zijn van de Roem-Seldjoeken eveneens artistiek hoogstaande keramiek, houtsnijwerk en textiel bekend. In het Museum voor Turks-islamitische kunst in Istanbul, het ethnografisch museum te Ankara en het Mevlana-museum te Konya zijn mooie collecties bewaard.

 

Syrië en Irak

De Seldjoeken van de andere nevenlinies, vooral in Syrië en Irak, hielden trouwer vast aan de traditionele moskee- en madrasabouw. Pas laat, in de 13de eeuw, verscheen met de Roekh-moskee te Damascus een eerste koepelmoskee. In Mosoel, Bagdad en Aleppo zijn verder nog mooie voorbeelden van militaire en civiele architectuur bewaard. Ten slotte valt nog te vermelden de miniatuurschilderkunst (School van Bagdad, 13de eeuw), de reliëfkeramiek en het bronsinlegwerk uit Mosoel, en het geëmailleerde en vergulde glas uit Aleppo, dat sinds de 12de eeuw het glascentrum bij uitstek was.

 

Embleem Osmaanse Rijk

 

Osmaanse Rijk 

De bakermat van Turkije was een van de vele kleine vorstendommetjes die zich na het uiteenvallen van het Seldjoekenrijk in Klein-Azië hadden gevormd. Hierover aanvaardde ca. 1300 Osman de macht (vandaar de namen Osmaanse of Ottomaanse Rijk en Osmaanse of Ottomaanse Turken. Allengs breidde Osman het staatje uit, vooral ten koste van Byzantijns gebied. Omstreeks 1326 werd Broessa (Bursa) ingenomen, dat tot hoofdstad werd uitgeroepen. Osmans zoon en opvolger Orhan (regeerde 1323/1324–1360) ondernam de eerste invallen aan de overkant van de Hellespont. Moerad (Murad) I (1360–1389) en Bajezid (Bayezid) I (1389–1402) maakten in deze richting geweldige veroveringen (Bulgarije, Servië;Slag bij Kosovo Polje, 1389). Edirne, veroverd in 1362, werd de Europese hoofdstad. Bajezid breidde de veroveringen uit tot Griekenland en in het noorden tot de Donau, waar hij in 1396 bij Nikopolis de verbonden Franse, Hongaarse en Duitse legers versloeg. In Klein-Azië werden de meeste Turkse vorstendommetjes geannexeerd of veroverd. In de Slag bij Ankara (1402) werd Bajezid echter door Timoer Lenk gevangen genomen, waarna zijn zoons vluchtten.

 

Bajezids zoon Mehmed I wist in 1413 het rijk te herstellen (regeerde tot 1421). Onder Moerad (Murad) II (1421–1444; 1446–1451) werd de restauratie voltooid en begonnen de veroveringen weer (Saloniki). In Albanië waren de Osmanen intussen met Venetië en aan de Donau met Hongarije in conflict geraakt. Een belangrijke uitbreiding van het grondgebied brachten de veroveringen van Mehmed II (1444–1446; 1451–1481). In 1453 nam hij Constantinopel in, gevolgd door de verovering van de rest van het Byzantijnse gebied. In 1467 breidde hij de Turkse macht uit naar het oosten (Kastamonu, Trebizonde = Trabzon). Op het Balkanschiereiland ontnam hij Venetië grondgebied. Voorts maakte hij Moldavië en Walachije voorgoed schatplichtig. Onder Selim I (1512–1520) kwam het rijk in conflict met Perzië. In 1514 werd de Perzische sjah bij Tsjaldiran verslagen, wat de Osmaanse macht in Zuidoost-Turkije en het noorden van Mesopotamië bevestigde. In 1516 veroverde Selim Syrië op Egypte en in 1517 Egypte zelf. Arabië (met Mekka en Medina) erkende de Osmaanse opperheerschappij.

 


Binnenkomst van Fatih Sultan Mehmet na verovering Constantinopel


Onder sultan Süleyman I (1520–1566) kreeg het Osmaanse Rijk zijn grootste uitbreiding en kwam tevens het regeringssysteem tot volle ontplooiing. Hongarije werd veroverd (Slag bij Mohács, 1526) en Wenen belegerd (1529). Tegen Perzië ondernam Süleyman met succes een aantal veldtochten. Voorts beheerste hij de Middellandse Zee. De sultan bezat absolute macht (voor behoud van de eenheid doodde een nieuwe sultan zijn broers) en regeerde met zijn gunstelingen door middel van de twee keurkorpsen: janitsaren en sipahi's (ruiterij van leenmannen). Een zekere sociale onafhankelijkheid genoot de geestelijke stand van de oelama's. De talrijke christelijke en joodse onderdanen van de sultan waren onder hun eigen religieuze hoofden georganiseerd. Ditzelfde gold voor de vreemdelingen, vooral kooplieden, die door hun consuls en gezanten werden geadministreerd, tot de rechtspraak toe.

 

Onder Süleymans opvolgers stagneerde de uitbreiding van het rijk. Zijn opvolger Selim II (1566–1574) liet de leiding van de regering aan de grootvizier Mehmed Sokullu over; onder hem leed de Turkse vloot bij Lepanto in 1571 een gevoelige nederlaag tegen o.m. de Spanjaarden en Venetianen. De belangrijkste buitenlandse tegenstanders waren echter tot in het begin der 18de eeuw Oostenrijk en Perzië. De naar beide zijden gevoerde oorlogen maakten onophoudelijk veldtochten nodig. In de loop van de 17de eeuw werd het rijk door slecht bestuur en militaire opstanden verzwakt. De grootviziersfamilie van de Köprülü wist sedert 1656 krachtiger leiding te geven; in 1669 werd Kreta op de Venetianen veroverd. Aan de westelijke en noordelijke grenzen had het Osmaanse Rijk steeds met geweld of diplomatie haar autoriteit weten te handhaven, zozeer, dat ook Polen en Rusland sterk onder Osmaanse invloed kwamen.

 


Stamboom Sultans

 

Een ommekeer in de machtsverhouding volgde na de in 1683 ondernomen veldtocht tegen Oostenrijk. Deze begon met de tweede belegering van Wenen. Nadat de stad door de Polen ontzet was, werden de terugtrekkende Turken keer op keer verslagen, zodat zelfs een deel van Hongarije door de Oostenrijkers werd heroverd. Een lange krijgsperiode volgde, waarin de Turken tevens met Venetië, Polen en Rusland in oorlog raakten. Bij de Vrede van Karlowitz (1699) moest Turkije ten slotte zijn aanspraken op een groot deel van Hongarije opgeven, terwijl ook de andere vijanden gebiedsvoordeel verkregen. Aan Oostenrijk ging ook de rest van Hongarije verloren (Vrede van Passarowitz, 1718) en op den duur bleef de Donau de grens.

 

 

De negentiende eeuw

In het midden van de 18de eeuw ontstond weer een heftig conflict met Perzië. De gevaarlijkste tegenstander van de Turken werd echter Rusland. De in 1768 uitgebroken oorlog bracht in 1774 de Vrede van Küçük Kaynarca, waarbij de Krim en Azov voor het Osmaanse Rijk verloren gingen. Na een nieuwe oorlog (1784–1792) werd de Dnepr de grens tussen beide rijken. Mahmoed (Mahmud) II (1808–1839) hervormde het leger en liet in 1826 het voor de sultan inmiddels gevaarlijk geworden, conservatieve janitsarenkorps uitmoorden. Onder hem begon ook de Griekse opstand, die in 1830 met de afscheiding van Griekenland eindigde, terwijl de Vrede van Edirne (1829) Ruslands meerderheid bewees.

 

In 1839 begon een nieuwe periode, Tanzimat, waarbij van hogerhand hervormingen werden ingevoerd om het rijk te moderniseren. Rusland bleef de gevaarlijkste tegenstander. In 1853 kwam het met dit land tot de Krimoorlog, waarin Frankrijk en Groot-Brittannië aan de zijde van Turkije stonden. Het einde van deze oorlog, de Vrede van Parijs (1856), toonde de machteloosheid van de sultan (Walachije, Moldavië en Servië werden autonoom). Hervormingen in westerse zin, geproclameerd door Abdül-Medjid (Abdül-Mecid) (1839–1861), werden niet doorgevoerd en wekten onlusten in vele delen van het rijk, die, zoals Syrië en Arabië, naar onafhankelijkheid streefden. Sultan Abdül-Hamid II (1876–1909) beloofde onder drang van de mogendheden en van enkele liberalen wel hervormingen (grondwet 1876), maar regeerde in feite reactionair en tiranniek. Opstanden op de Balkan leidden tot ingrijpen van Rusland (Russisch-Turkse Oorlog 1877–1878), dat tot vlak bij Constantinopel doordrong. Het Congres van Berlijn (1878) bracht voor de sultan wel enige verlichting, maar deze was nu geheel afhankelijk van de mogendheden. Cyprus kwam onder Brits bestuur, Bosnië onder dat van Oostenrijk-Hongarije, Griekenland kreeg uitbreiding van gebied. Roemenië werd geheel onafhankelijk en Bulgarije werd een autonome provincie. Daarna volgden nieuwe moeilijkheden: in 1882 werd Egypte onder Brits beheer geplaatst; in 1897 ontstond oorlog met Griekenland, waardoor Kreta onder een Griekse gouverneur kwam. In 1905 werd de Balkankwestie buiten de sultan om geregeld. Een Jong-Turkse beweging (zie Jong-Turken), die door liberale hervormingen de nationale kracht wilde versterken, werd gesteund door de mogendheden: in 1908 moest Abdül-Hamid de grondwet van 1876 werkelijk invoeren (hij werd in 1909 afgezet, omdat hij de reactie weer steunde).

 

Turkije was inmiddels financieel geheel afhankelijk van de mogendheden en ging gebukt onder een zware schuldenlast. Duitse officieren waren intussen belast met de hervorming van het leger. In 1911 viel Italië Turkije in Tripoli aan, een oorlog die leidde tot het verlies van dit land en van de Dodekanesos. Griekenland, Bulgarije en Servië ontketenden de Eerste Balkanoorlog (1912–1913), die na een korte vrede het Turkse Rijk in Europa reduceerde tot een klein gebied rondom Constantinopel. In de Eerste Wereldoorlog koos Turkije, onder aandrang van de toen machtige Jong-Turken, de zijde van Duitsland. De Dardanellen werden met succes verdedigd, op de Balkan en in het oosten werden eerst enige successen behaald, maar ten slotte drongen de geallieerden in het oosten op. Arabië maakte zich onafhankelijk en in okt. 1918 moest Turkije capituleren. Bij het Vredesverdrag van Sèvres behield het alleen Constantinopel en Klein-Azië zonder de westelijke kuststrook.

 


Grondgebied Ottomaanse/ Osmaanse rijk

 

Tegen de afloop van de oorlog kwam het nationalisme in verzet. Hierin vervulde Mustafa Kemal Ataturk (na 1934 Kemal Atatürk geheten) de hoofdrol. Een in Ankara bijeengekomen Nationale Vergadering proclameerde zich tot staatshoofd en begon de strijd tegen de Grieken (1920), die eindigde met de verovering van Izmir. De geallieerden legden zich hierbij neer, en bij het (nieuwe) verdrag, vastgesteld op de Conferentie van Lausanne (1923), behield het volledig onafhankelijke Turkije het in de wereldoorlog veroverde en ook Edirne en Cilicië. Intussen had een tweede Nationale Vergadering sultan Mehmed VI (1918–1922) afgezet.

 


Mustafa Kemal Atatürk

 

De republiek tot 1950

Op 29 okt. 1923 werd een republikeinse grondwet geproclameerd. Atatürk werd president, Ankara hoofdstad. Atatürk wilde door modernisering naar westers voorbeeld cultuur en welvaart herstellen. Er kwam een scheiding tussen moskee en staat; het kalifaat werd afgeschaft, evenals andere uit de islam voortvloeiende functies. Andere verboden betroffen de derwisj-orden en het dragen van sluier en fez. Het Latijnse alfabet werd ingevoerd en vooral aan het volksonderwijs werd grote zorg besteed. Met het oog op de economische ontwikkeling werd begonnen met de aanleg van een spoorwegnet in Anatolië. In 1932 trad Turkije toe tot de Volkenbond en in 1934 sloot het zich aan bij het Balkan-pact tegenover het op de Balkan opdringende Italië. In 1936 verwierf Turkije het recht van militarisatie van de zee-engten. In okt. 1939 sloot Turkije met Frankrijk en Groot-Brittannië een wederzijds bijstandsverdrag. Inmiddels was in 1938 Atatürk overleden. Hij werd als president opgevolgd door Ismet Inönü. Hij zette de politiek van Atatürk voort: antireligieuze maatregelen en begunstiging van de officiële politieke partij, de Republikeinse Volkspartij.

 

In de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije tot kort voor het eind militair neutraal. Wel zag het zich gedwongen tot het sluiten van een niet-aanvalsverdrag en van handelsverdragen met Duitsland. In 1944 wisten de geallieerden Turkije aan hun zijde te brengen, maar eerst in febr. 1945 verklaarde het de oorlog aan Duitsland. Daardoor kon Turkije direct lid worden van de Verenigde Naties. De eerste jaren na 1945 was er voortdurend sprake van een gespannen verhouding met de Sovjet-Unie. Op militair, economisch en financieel (Marshallhulp) gebied raakte het land meer en meer afhankelijk van de Verenigde Staten. In 1949 trad Turkije toe tot de Raad van Europa.

 

Op binnenlands politiek terrein deed zich tussen 1945 en 1950 een aantal belangrijke veranderingen voor. In 1946 werd de kieswet herzien, waarbij de vorming van nieuwe politieke partijen werd toegestaan. Bij de verkiezingen van dat jaar verzekerde de Volkspartij zich weliswaar van de meerderheid van de zetels, maar de Democratische Partij onder leiding van Celâl Bayar boekte met 65 zetels een aanmerkelijk succes. Op instigatie van de Democratische Partij kwam in juli 1948 een nieuwe kieswet tot stand, met geheime verkiezingen en openbare stemmentelling. In de periode tot 1950 kwam voorts een einde aan de antireligieuze maatregelen.


 

De republiek na 1950

Bij de verkiezingen van mei 1950 behaalden de Democraten een enorme meerderheid van 407 van de 487 zetels in de Nationale Vergadering. Bayar volgde Inönü als president op en er werd een nieuwe regering gevormd met Adnan Menderes als premier. Deze volgde een wat liberalere economische politiek en trad krachtig op tegen religieuze groeperingen die tal van bereikte hervormingen van de Turkse revolutie afgeschaft wilden zien. Bij de verkiezingen van mei 1954 behaalden de Democraten opnieuw een overwinning. De regering voerde daarna een aantal wetten door die haar bevoegdheden sterk uitbreidden. De persvrijheid werd sterk aan banden gelegd. Dit alles bracht een gespannen verhouding teweeg tussen de regering en de oppositie. O.m. door de verslechterende economische situatie en de invoering en wijziging van een aantal wetten in juni 1956 (o.a. met betrekking tot de persvrijheid en het recht op openbare vergadering) werd de relatie tussen de Democraten en de oppositie nog gespannener.

De Democratische regeringen volgden een buitenlands beleid dat sterk op het Westen georiënteerd was. In 1952 trad Turkije toe tot de NAVO, in 1955 tot het Pact van Bagdad (later Centrale Verdragsorganisatie). In het begin van de jaren zestig werd de verhouding met de Sovjet-Unie beter.

 

Op 28 april 1960 demonstreerden studenten in Istanbul tegen de regering van Menderes. Op 27 mei 1960 pleegde een groep officieren onder leiding van generaal Cemal Gürsel een staatsgreep. De regering werd vervangen door een Comité van Nationale Eenheid onder leiding van Gürsel, die de functies van president, premier en minister van Defensie op zich nam. In jan. 1961 werd een nieuwe Vergadering bijeengeroepen die als tijdelijk parlement moest fungeren, op 26 mei 1961 werd een nieuwe grondwet goedgekeurd, die o.m. voorzag in een twee kamers tellende wetgevende macht. Inmiddels werd een groot aantal leden van het afgezette Menderesregime tijdens een monsterproces berecht. Op 15 sept. werden er o.m. vijftien mensen ter dood veroordeeld, een vonnis dat bij twaalf van hen, onder wie president Bayar, werd veranderd in levenslang. Menderes werd met anderen opgehangen (in 1962 en 1966 werd amnestie verleend, o.a. aan Bayar). Op 25 okt. 1961 werd het Parlement geopend en werd de macht door de militairen overgedragen aan de burgers.

 

Op 26 okt. werd generaal Gürsel, als enige kandidaat, gekozen tot president van de republiek. Inönü, de leider van de Volkspartij, zou aan het hoofd van drie achtereenvolgende kabinetten tot febr. 1965 aan het bewind blijven. Hij werd geconfronteerd met de kwestie Cyprus, die binnenslands leidde tot gewelddadige protesten tegen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. In april 1965 werden de meeste Grieken uit Turkije gezet als represaille tegen Griekse maatregelen met betrekking tot de Turkse gemeenschap op Cyprus.

 

Een overwinning van de Gerechtigheidspartij (AP) bij de verkiezingen van okt. 1965 bracht de leider van die partij, Süleyman Demirel, aan het bewind. Hij slaagde er niet in de economische problemen het hoofd te bieden. Demirel knoopte betere betrekkingen aan met verscheidene Oost-Europese en Arabische staten. In maart 1969 werd een nieuwe defensieovereenkomst gesloten met de Verenigde Staten, waarbij Turkije meer zeggenschap kreeg over de Amerikaanse militaire bases in Turkije.

 

Aan het einde van de jaren zestig werd de Turkse democratie van binnen uit bedreigd. Extreem linkse en rechtse groeperingen kwamen herhaaldelijk met elkaar in botsing. De linkse groeperingen streefden o.m. naar het verbreken van de militaire banden met het Westen, bepaalde extreem rechtse groeperingen verlangden de terugkeer naar een theocratie en een totalitair systeem, gebaseerd op de islam en pan-turkisme. Botsingen tussen deze groeperingen leidden begin jaren zeventig tot grote binnenlandse politieke spanningen. De verslechterde economische toestand veroorzaakte grote onrust. Demonstraties van studenten en arbeiders tegen de voorgestelde amendementen op de Wet voor Vakbonden deden de regering de noodtoestand in verscheidene provincies afkondigen. In Oost-Turkije ontstond een gespannen situatie door de activiteiten van de terroristische afscheidingsbeweging. In de steden opereerde een linkse ondergrondse guerrillabeweging, het Turkse Volksbevrijdingsleger, die ook aan de universiteiten sympathie ontmoette. Op 12 maart 1971 nam het leger het heft in handen: de regering-Demirel werd tot aftreden gedwongen. Op 26 maart werd een nieuw coalitiekabinet geïnstalleerd met Nihat Erim als premier. Binnen het leger vonden uitgebreide zuiveringen plaats. In april 1971 werd de staat van beleg afgekondigd voor 11 van de 67 provincies. In maart 1972 werden 57 officieren uit het leger ontslagen op beschuldiging wapens te hebben verstrekt aan de stedelijke guerrillero's, ongeveer een maand later nam Erim ontslag.

 

In mei 1972 maakte Ferin Melen als premier de samenstelling van een nieuw kabinet bekend. Naar aanleiding van de opvolging van de sedert 1966 zittende president C. Sunay ontstond een politieke strijd tussen het parlement en het leger. Ten slotte werd een compromiskandidaat, senator en oud-admiraal Fahri Korutürk, tot president gekozen (april 1973). Op 25 jan. 1974 vormde Bülent Ecevit (Republikeinse Volkspartij, CHP) met de Partij voor Nationale Redding (NSP) een coalitieregering. Na een pro-Griekse staatsgreep op Cyprus greep Turkije op 20 juli 1974 in ten gunste van de Turkse gemeenschap aldaar. De invasie en de daaropvolgende bevrijding van een deel van het eiland brachten een verkoeling teweeg in de betrekkingen met de Verenigde Staten. Deze besloten tot een wapenembargo tegen Turkije, dat pas in 1978 zou worden opgeheven. De betrekkingen met Europa werden echter nauwer aangehaald en er werd tevens toenadering gezocht tot de Sovjet-Unie. In sept. 1974 kwam het kabinet-Ecevit door een conflict tussen de coalitiepartners ten val. Pas op 31 maart 1975 slaagde Demirel (AP) erin een coalitie te vormen met de NSP, de Nationale Actie Partij (NAP) en een rechtse splinterpartij. Hij zocht toenadering tot de islamitische wereld. De spanning met NAVO-partner Griekenland nam toe, niet alleen wegens de kwestie-Cyprus, maar ook door een conflict over het continentaal plat in de Egeïsche Zee, waar aardolie was aangetroffen.

 

In het binnenland bleek de geweldsspiraal tussen links- en rechts-radicale groepen niet meer te stuiten. De 1-mei-viering in 1977 in Istanbul liep uit op een bloedbad. Bij de gewelddadig verlopen vervroegde verkiezingen op 5 juni 1977 behaalde de CHP een overwinning, maar geen absolute meerderheid. Daardoor kon Demirel zijn coalitieregering voortzetten tot hij in dec. 1977 bij een tussentijdse verkiezing de kamermeerderheid verloor. Ook het nieuwe kabinet, dat Ecevit op 5 jan. 1978 met dissidenten uit de AP vormde, bleek niet bij machte het toenemend geweld te beheersen. In het najaar van 1978 kwam het tot gewelduitbarstingen. In steeds meer provincies en steden werd de staat van beleg afgekondigd. Na een nederlaag bij tussentijdse verkiezingen bood Ecevit op 14 okt. 1979 zijn ontslag aan. Op 12 nov. vormde Demirel een minderheidskabinet van uitsluitend AP-ministers.

 

Bronnen:

Microsoft Encarta 99 Encyclopedia (Winkler Prins editie)

Het Ministerie voor Toerisme Republiek Turkije (Algemeen directoraat voor informatie)

Turkije Reisgids (Turks Nationaal Verkeersbureau)